.::Rodent::.
 

De Chinchillas

1)Inleiding

De pels of de vacht is de typische huidbedekking bij zoogdieren en het is duidelijk dat ze een belangrijke rol speelt in de warmtehouding van het lichaam. De naakte mens met zijn onbehaarde huid vormt wel een uitzondering.

De mens gebruikte pelsen van dieren om zich tegen de koude te beschermen. De chinchilla, een knaagdiertje uit het Zuid-Amerikaanse Andesgebergte, onderging het lot om als bontmantel te dienen en daardoor in de vrije natuur zeldzaam zijn.
Chinchilla’s zijn bijzonder aardige dieren, die er op het lange pluimstaartje na, als een bolleke wol uitzien. In de grote groep van de knaagdieren is de chinchilla een neefje van het vertrouwde Guinese biggetje of de cavia.
De uiterst soepele haren staan ongewoon dicht op elkaar ingeplant en zijn ruim 2 cm lang. Opvallend zijn de grote oren en de zeer lange, borstelige snorharen. Ieder haar is eigenlijk driekleurig. De dichte langharige pels is vermoedelijk een doeltreffende aanpassing aan het gure bergklimaat. Ze komen namelijk voor in de rotsige berghellingen van het Andesgebergte in Peru, Bolivia en Argentinië. Ze leven in kleine kolonies van een 100-tal dieren. Met hun verblijf op hoogtes die schommelen tussen 3.000 en 6.000 meter zijn ze één der hoogst levende zoogdieren ter wereld.
Het zijn wel nacht- of schemerdieren, al vindt men ze bij dag ook buiten hun holen. De diertjes leven in een barre steenwoestijn en terwijl ze op hun achterste pootjes zitten knabbelen ze hier en daar aan ruw gras of taaie bergkruiden.
Water is zeer zeldzaam in hun woongebied. De chinchilla’s krijgen hun vocht uit plantenkost en van de dauw die ze oplikken.
Het wijfje is iets groter dan het mannetje en in de paartijd neemt zij het initiatief. Bij het verliefdheidsspel trekken ze bosjes haar uit elkaars pels. Ze dragen vier maanden en werpen ten hoogste zes jongen.
Deze dieren zijn echt gezellige huisdieren die, onder toezicht, vrij kunnen rondlopen. Het blijven tenslotte knaagdieren.

2)Oorsprong en geschiedenis:

De chinchilla leefde oorspronkelijk in Chili en Peru, in de hoger gelegen delen van het Andesgebergte. Tegenwoordig is het diertje in de vrije natuur praktisch uitgestorven.

De chinchilla's werden in hun oorspronkelijk leefgebied alleen maar bedreigd door twee soorten vijanden: roofvogels en indianen.

De roofvogels waren snel genoeg om deze diertjes te vangen en zo dienden ze als lekker hapje.

De indianen aten hun vlees en gebruikten hun pelzen om kleren en dekens te vervaardigen.

Door deze natuurlijke en goed gerichte selectie werd de populatie toch op peil gehouden.

In de 16de eeuw zorgde de verovering van Zuid-Amerika door de Spanjaarden voor een gevaarlijke bekendheid voor deze diertjes. De Europeanen verbaasden zich over deze 'wolmuizen'.

Schriften en verslagen uit de zeventiende eeuw maken melding van kolonies van honderden dieren, die zelfs overdag over de rotshellingen klauterden en bij de ingang van hun holen lagen te zonnen. Ze schuilden in rotsspleten en grotten. Deze diertjes waren zodanig weinig schuw dat ze zelfs tussen de benen van de paarden liepen. De reiziger ter paard kon er binnen enkele dagen duizenden te zien krijgen.

Aan het einde van de 18de eeuw werden de chinchilla's door de jezuïet Juan Ignazio Molina beschreven. In 1782 gaf hij de chinchilla zijn wetenschappelijke naam.

Zijn dichte, zachte en fijn aanvoelende pels werd in weinig tijd een gezochte schat voor vele rijke Europeanen. De Spanjaarden namen de pelzen van gedode dieren mee naar Europa, waar de zeldzame bontsoort al snel een uiterst kostbare grondstof werd voor de duurste mantels.

Er werden voor dit doel indiaanse chinchillavangers ingehuurd, om daarna deze kostbare velletjes in Europa in te voeren en ze daar te verkopen. In de negentiende eeuw waren chinchillapelzen samen met koffie en tabak de belangrijkste exportproducten van Zuid-Amerika.

Rond 1910 waren de chinchilla's bijna totaal uitgeroeid, waardoor er bijna geen chinchilla's meer werden aangevoerd, de prijzen schoten omhoog. De chinchilla's die de slachtingen hadden overleefd waren gevlucht naar onherbergzame gebieden. Alleen de slimste en schuwste exemplaren bleven over.

Maar door de extreme hoge prijzen die aan dit bont werden gegeven (op tien jaar vervijfvoudigde de prijs van de chinchillapelzen), werden deze exemplaren toch ook nog bejaagd. Rond 1920 waren er bijna geen wilde chinchilla's meer over.

De chinchilla's die overbleven waren met zodanig weinig dat er geen pelzen meer aangeboden werden, de chinchillajagers vonden er doodeenvoudig geen meer om op te jagen.

De man die de chinchilla uiteindelijk voor uitsterven heeft behoed was de Amerikaan Ir. Chapman. Het idee van Molina dat de chinchilla's in gevangenschap gefokt konden worden werd interessant bevonden en Chapman stuurde een expeditie van zeer ervaren chinchillajagers op pad om enkele exemplaren levend te vangen.

Hij deed dit enkel uit zakelijke overwegingen maar we kunnen hem toch maar dankbaar zijn van deze beslissing.

Met veel moeite lukte het de jagers zeventien dieren levend te vangen. De dieren werden overgebracht naar het zuiden van de Verenigde Staten.

Met de elf chinchilla's die de reis overleefden heeft Chapman een populatie in gevangenschap weten op te bouwen, hoewel er later mogelijk nog één gevangengenomen chinchilla aan de groep is toegevoegd.

Deze twaalf dieren zijn dus de voorouders van alle chinchilla's die we tegenwoordig tegenkomen.

Het dier is in eigen land tot bedreigde soort uitgeroepen.

3)Rasbeschrijving:

Hoewel er steeds gesproken over dé chinchilla, blijkt uit de literatuur dat er verschillende (onder)soorten chinchilla's hebben bestaan.

De koningschinchilla: De grootste chinchilla met het formaat van een konijn. Hij was de favoriet van de bonthandelaars vanwege de grootte van zijn pels. Deze soort werd dan ook het eerst uitgeroeid.

Van de kleinere chinchilla (Chinchilla laniger) bestonden oorspronkelijk twee typen (of ondersoorten):

-Het La Plata-type (breedhoofdig), heeft een stompe kop met kleine, ronde oren. Het lijf is compact, de pels dik en wollig, maar niet erg gelijkmatig. De La Plata is licht- tot middengrijs van kleur.

-Het Cortina -type (punthoofdig), heeft een spitsere kop, een gestrekter lijf en langere oren, waardoor hij slanker lijkt. Zijn pels is dunner dan die van de La Plata, maar ook gelijkmatiger. Dit maakt van hem een goed dier voor de bonthandel.
De Cortina is duidelijker donkerder dan de La Plata.

Tegenwoordig bestaan er praktisch geen zuivere exemplaren meer van deze typen. Beide stammen zijn zo vaak onderling gekruist dat er geen duidelijke verschillen meer zijn. Toch kunnen we bij zekere chinchilla's soms een duidelijk verschil zien in type, wat bewijst dat deze dieren terugkeren naar hun oorspronkelijk type.

Chinchilla's behoren tot de orde van de knaagdieren en vormen een aparte familie, samen met onder andere de degoe.

Er zijn verschillende kleuren ontstaan in gevangenschap bij onze chinchilla's door het steeds verder intelen omwille van de pelskwaliteit.

Dit zijn de actueel bekende kleuren:

Standaard
Wit
Zilver en zilver violet, zilver ebony,
Platina
Bont
Rosé
Beige
Blond
Pastel
Violet
Ebony black, brown en pastel
Blue steel
Saffier
Er zijn ook mutaties in haarstructuur opgetreden. Doordat men steeds de dichtste pelzen nastreeft, zijn de zgn Velvets (fluweel) en Ultra's (nog iets dichter) ontstaan..

Deze haarstructuren kunnen in de diverse kleuren voorkomen. De velvet dieren hebben een zeer diepe dekkleur door de vele haren, en een witte buik zoals de standaard dieren.

4)Eigenschappen

De chinchilla is het enige zoogdier ter wereld waarbij meerdere haren uit één haarwortel groeien: uit elke wortel maar liefst 40 tot 120 haren! Dit maakt de pels zo zacht en dicht, en zorgde bijna voor de totale verdwijning van de soort door de interesse van de bonthandel... Door deze dichte pels zien de dieren er uit als een pluchen speelkameraad, maar ze zijn echter niet altijd zo ingesteld.

Door de jarenlange fok in gevangenschap is de chinchilla wel enigzins vertrouwd geraakt met de mens, maar is in ieder geval nog steeds niet volledig gedomesticeerd. Het is dus nog steeds geen gemakkelijk huisdier dat zich alles laat welgevallen en dat door iedereen kan gehouden worden. Indien men veel met de dieren bezig is, kan men ze leren van regelmatig in de huiskamer rond te lopen en achteraf vrijwillig in hun kooi terug te keren. Opletten echter: het zijn knaagdieren en hebben een voorliefde voor snoeren, zodat menig chinchilla de dood vond door elektrocutie...

Deze dieren vereisen een zeer kalme huisvesting en een speciale voeding. Ze komen uit een koude en droge streek, wat maakt dat ze zeer gevoelig zijn aan darmstoornissen, zowel verstopping als diarree. Ze mogen geen te nat voedsel hebben zoals sla en dergelijke meer, wat onvermijdelijk de dood tot gevolg zou hebben. Het meest aangewezen is een uitgebalanceerde korrelvoeding, met een aanvulling van gedroogd fruit en enkele granen. Zeker onmisbaar is het regelmatig verstrekken van hooi, goed droog en van een goede kwaliteit. Om in de vitaminebehoeften te voldoen kan men ook regelmatig eens enkele rozenbottels of een stukje appel geven, wat de dieren graag lusten.

De chinchilla is niet zo gemakkelijk te fokken. Om aan jongen toe te komen is een eerste vereiste een kalme omgeving. Mannetjes en vrouwtjes kunnen gerust samen in een kooi gehouden worden, maar de dames dragen in dit geval wel steeds de broek... Indien men ze wil bij elkaar zetten voor de paring, wordt de vrouw steeds in de kooi van de man geplaatst, niet omgekeerd dit om, wegens de vrouwelijke dominantie, zware gevechten te vermijden. Indien Mevrouw en Mijnheer niet zo goed blijken op te schieten, plaatst men het meest dominante dier in een gazen kooitje apart in de grote kooi, zodat de dieren elkaars geur kunnen leren kennen. Na een nacht wordt geprobeerd de dieren 's morgens, wanneer ze minst actief zijn, bij elkaar te zetten. Dit proces kan tot een week duren, dus heb geduld...

Indien de paring geslaagd is, komen de een tot vier jongen ter wereld na gemiddeld 111 dagen. Bij meer dan drie jongen komen er meestal problemen met melkproductie voor, zodat er meestal een of meer van de jongen sterven. Tot drie jongen worden relatief gemakkelijk opgevoed. Na ongeveer 6 - 8 weken mogen ze van de moeder weg.

Bij het fokken moet wel rekening worden gehouden dat deze soort vrij gevoelig is aan deficiënties door inteelt, zodat het wenselijk is regelmatig eens van man te veranderen en de jongen zo weinig mogelijk met hun ouders te paren.

Door de diverse kleurmutaties zijn er ook lethaalfactoren ontstaan die ervoor zorgen dat bepaalde kleuren of haarstructuren niet bij elkaar gekruist kunnen worden. Dit is het geval met Velvet en met Wit. Dus nooit twee Velvets of twee Witte dieren met elkaar zetten om te fokken, dit leidt toch niet tot levensvatbare jongen.

Ondanks de problemen voor onderhoud en fok blijft de chinchilla een fascinerend dier om in huis te hebben. Men moet er wel rekening mee houden dat deze mits een goede verzorging je gezel wordt voor 14 - 20 jaar...


 

 

 

.::Rodent::.

 

Copyright 2003 Rodent